Ik loop door de stad met mijn camera laag tegen mijn lichaam, alsof hij er toevallig is. Ik jaag niet op beelden; ik laat ze naar mij toe komen. Het straatleven kondigt zich niet aan — het fluistert, beweegt, verdwijnt weer.
Ik kijk naar handen die iets vasthouden, naar blikken die nergens heen gaan, naar mensen die elkaar net missen. Alles gebeurt tegelijk en toch maar één keer. Mijn vinger zweeft boven de ontspanner, wachtend op dat ene moment waarin chaos even klopt.
Ik fotografeer niet om het mooie, maar om het ware. Scheuren in muren, kreukels in gezichten, licht dat onverwacht valt tussen gebouwen. De straat verbergt niets, en precies daarom vertrouw ik haar.
Soms ziet niemand me. Soms wel. Dan kruisen onze blikken elkaar, een fractie van een seconde, en weet ik: dit is echt. Dit is nu.
Door mijn lens vang ik geen stad, geen mensen, geen beweging.
Ik vang ademhaling. Het ritme van het leven, precies zoals het voorbijloopt.


